Europa’s uitdaging: niet méér innovatie, maar betere opschaling

Tijdens de Science|Business-conferentie “Paradigm Shift: Is the World Ready for a New Model of Collaborative R&I?”, georganiseerd met Brainport Eindhoven op 16 juni in Brussel, gaven vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, de academische wereld en innovatieorganisaties een duidelijke boodschap af: Europa heeft niet zozeer behoefte aan beter onderzoek, maar aan een sterkere capaciteit om kennis om te zetten in economische en strategische impact. De echte uitdaging ligt niet bij onderzoek, maar bij opschaling. Deze discussie vindt plaats op een cruciaal moment, nu beleidsmakers werken aan de volgende EU-begroting, FP10 en het voorgestelde Europesean Competitiveness Fund.
Leiders uit het bedrijfsleven van ASML en Ericsson schetsten een pragmatisch beeld van Europa’s positie in het mondiale innovatielandschap. Volgens Arco Krijgsman, Head of Public Private Partnerships bij ASML en Alberto Zilio, Head of European Governement Affairs bij Ericsson blijft Europa wereldwijd toonaangevend op het gebied van cruciale technologieën zoals halfgeleiders, connectiviteit en biotechnologie. Het Europese debat zou daarom niet uitsluitend moeten draaien om het “inhalen” van andere continenten. Die leiderspositie is er nog steeds, maar staat zonder ingrijpende veranderingen wel steeds meer onder druk. De oorzaak is niet een gebrek aan innovatie, maar een gebrek aan schaal.
Waar Amerikaanse bedrijven kunnen groeien binnen een grote thuismarkt en Chinese bedrijven profiteren van een sterk geïntegreerde binnenlandse markt, moeten ambitieuze Europese ondernemingen vanaf dag één internationaal opereren. Daarbij worden zij geconfronteerd met een gefragmenteerde interne markt, uiteenlopende nationale regelgeving en langdurige administratieve procedures.
Voor het bedrijfsleven vormt dit de centrale uitdaging voor het toekomstige Europese innovatiebeleid. Nieuwe onderzoeksprogramma’s blijven belangrijk, maar zonder een aantrekkelijk ondernemingsklimaat, toegang tot groeikapitaal, voldoende binnenlandse vraag en een goed functionerende interne markt zullen te veel Europese innovaties elders doorgroeien.
Samenwerking blijft een Europese kracht
Vertegenwoordigers uit de academische wereld en innovatieorganisaties boden een aanvullend perspectief. Robbert Dijkgraaf, aankomend voorzitter van de International Science Council en voormalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Janet Geddes (Innovate UK), Brit Helle (Eureka Secretariat) en Freek van Muiswinkel (Universiteit Utrecht) benadrukten dat internationale samenwerking al lange tijd een van Europa’s grootste sterke punten is.
Europese onderzoeksprogramma’s behoren tot de succesvolste ter wereld en grensoverschrijdende innovatieprojecten leveren consequent sterke resultaten op. Bedrijven die deelnemen aan internationale samenwerking groeien doorgaans sneller, verhogen hun productiviteit en krijgen gemakkelijker toegang tot nieuwe markten.
Volgens de vertegenwoordigers van kennisinstellingen en innovatieorganisaties moet Europa dit voordeel behouden en versterken. De belangrijkste uitdaging is om regionale, nationale en Europese initiatieven beter met elkaar te verbinden en ervoor te zorgen dat bedrijven gedurende hun volledige investeringsreis de juiste ondersteuning ontvangen.
Van samenwerking naar concurrentiekracht
Hoewel vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven en uit de academische en innovatiegemeenschap het onderwerp vanuit verschillende invalshoeken benaderden, kwamen zij uiteindelijk tot dezelfde conclusie: samenwerking blijft essentieel, maar wel met een duidelijk doel.
Voor bedrijven draait het debat over gezamenlijke onderzoeks- en innovatieactiviteiten uiteindelijk om concurrentiekracht. Samenwerking moet leiden tot nieuwe producten, nieuwe bedrijven en nieuwe markten. Dat vereist verbonden ecosystemen waarin onderzoek, ondernemerschap, investeringen en industrie elkaar versterken. Niet alleen als lokale succesverhalen, maar als onderdeel van Europa’s bredere industriële en technologische capaciteit — en niet als achtergrondcontext, maar als een integraal onderdeel van de manier waarop bedrijven opereren.
Regionale innovatie-ecosystemen zoals Brainport Eindhoven werden genoemd als voorbeelden van hoe dit in de praktijk werkt. In deze omgevingen werken grote bedrijven, startups, kennisinstellingen en investeerders nauw samen, waardoor zowel innovatie als marktintroductie wordt versneld.
Een nieuwe missie voor Europa
Het debat over FP10 en het toekomstige Europese innovatiebeleid gaat daarom over veel meer dan budgetten of financieringsinstrumenten. De fundamentele vraag is hoe Europa zijn onderzoek van wereldklasse beter kan verbinden met een sterkere industriële en economische agenda, en hoe de innovatie-ecosystemen die deze onderzoeks- en industriële kracht dragen beter met elkaar kunnen worden verbonden ten gunste van de Europese Unie en haar burgers.
De vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven brachten daarbij de meest urgente boodschap naar voren: Europa beschikt al over veel van de technologieën die de wereld nodig heeft. De uitdaging is nu om ervoor te zorgen dat Europese bedrijven deze technologieën ook in Europa kunnen ontwikkelen, produceren en opschalen.
De toekomst van gezamenlijke onderzoeks- en innovatieactiviteiten ligt daarom niet alleen in méér samenwerking, maar in samenwerking die leidt tot impact, investeringen, schaal en strategische autonomie. Alleen dan kan Europa zijn positie behouden in een wereld waarin technologische concurrentie steeds bepalender wordt voor economische welvaart en geopolitieke invloed.




