De volgende uitdaging voor het Holst Centre is het bereiken van industriële schaalgrootte

Tijdens de Innovation Day waren vier innovatieleiders het erover eens dat Europa nog steeds het industriële zelfvertrouwen mist om activa om te zetten in wereldwijde bedrijven. Europa is erg goed in het voortbrengen van dingen om trots op te zijn. Een doorbraak in een laboratorium. Een veelbelovend prototype. Een spin-off met slimme technologie en een eerste klant. Een nieuw publiek-privaat programma met een lange lijst van partners. Maar dat is niet hetzelfde als het opbouwen van een industrie.
Dat was de kernboodschap tijdens een paneldiscussie op de Holst Centre Innovation Day, waar TU/e-rector Silvia Lenaerts, Techleap-speciaal gezant Constantijn van Oranje, medeoprichter van het Holst Centre Henk van Houten en Naomie Verstraeten, Chief Innovation & Technology Officer bij Brainport Development, verder keken dan de eerste twintig jaar van de organisatie.
Hun conclusie was niet dat Brainport aan dynamiek ontbreekt. Integendeel. De regio beschikt over onderzoek van wereldklasse, wereldwijd relevante bedrijven en een dicht netwerk van toeleveranciers, ingenieurs en kennisinstellingen. Maar de volgende fase vraagt om een andere soort ambitie: minder versnipperde inspanningen, minder barrières tussen onderzoek en bedrijfsleven, en een veel sterker instinct om op grote schaal op te bouwen.
„De uitvinding vormt slechts een relatief klein deel van het daadwerkelijke probleem”, aldus Van Oranje. „Hoe verpak je het product? Hoe vervoer je het? Hoe zet je het in elkaar?” Die vragen klinken misschien minder glamoureus dan een doorbraak in de materiaalkunde of elektronica, maar ze bepalen of een technologie uitgroeit tot een bedrijf, een toeleveringsketen en uiteindelijk een markt. Dat onderscheid raakt de kern van de geschiedenis van het Holst Centre zelf.
Van open innovatie naar industriële ambitie
Twintig jaar geleden werd het Holst Centre opgericht op een moment dat Eindhoven zichzelf opnieuw aan het definiëren was. Philips Research had decennialang baanbrekende doorbraken gerealiseerd op het gebied van natuurkunde, materiaal- en procestechnologie, maar Philips zelf was niet langer de vanzelfsprekende thuisbasis voor elke veelbelovende technologie die uit het laboratorium kwam.
Holst Centre werd een plek waar ideeën op gebieden als flexibele elektronica, draagbare technologie en geavanceerde materialen samen met partners konden worden ontwikkeld, voordat een enkel bedrijf ze als zijn eigendom kon claimen. Het was een vroege en zeer praktische uiting van open innovatie.

Voor Verstraeten blijft die openheid een van de bepalende sterke punten van het Holst Centre. Ze herinnerde zich dat ze het centrum vroeg in haar carrière bezocht en technologieën zag die op dat moment nog ver van commerciële realiteit leken, waaronder flexibele beeldschermen die later vertrouwd zouden worden in opvouwbare consumentenapparaten.
De les hieruit, zo stelde ze, is dat een innovatie-ecosysteem pas werkt als het meer doet dan alleen interessante projecten huisvesten. Het moet gedeelde platforms creëren waarrond bedrijven, instituten en publieke partners zich kunnen organiseren.
Dat is wat Brainport heeft geprobeerd te doen met initiatieven zoals het Battery Competence Cluster NL, dat bedrijven, start-ups, onderzoekers en publieke partners samenbrengt rond toepassingsgerichte batterijtechnologie. Het opkomende Chip Competence Centre volgt een vergelijkbare logica: halfgeleiderbedrijven helpen verbinding te maken met proefproductielijnen, chipontwerpcapaciteiten en Europese expertise.
Dit zijn niet zomaar netwerken. Het zijn pogingen om te bepalen waar de regio daadwerkelijk kan concurreren. “Als je je concentreert en keuzes maakt, gedurfde keuzes, betekent dat dat je dingen uitsluit,” zei Verstraeten. “Maar het betekent ook dat je alle energie kunt richten op het bereiken van dat grote, zeer ambitieuze doel.”
Dat klinkt misschien vanzelfsprekend. In de praktijk blijft het moeilijk in Nederland, waar innovatiebeleid vaak breedte, participatie en zorgvuldig uitgebalanceerde agenda’s beloont. Het argument van het panel was dat een dergelijke aanpak een zwakte kan zijn wanneer mondiale markten veel sneller veranderen.
Stop met het vieren van de eerste stap
Van Oranje was op dat punt het meest direct. Hij stelde dat Europa innovatie nog steeds te beperkt bekijkt, door de bril van overheidsfinanciering en onderzoek in een vroeg stadium. „We blijven maar zeggen dat we keuzes moeten maken en dat we ons moeten concentreren, concentreren en nog eens concentreren,” zei hij. „Maar dat doen we eigenlijk niet.”
Het probleem is volgens hem niet alleen een gebrek aan geld. Het is de wrijving die daarmee gepaard gaat. Elke euro aan overheidssteun kan voorwaarden, rapportageverplichtingen en vertragingen met zich meebrengen. Dat kan helpen bij het beheersen van risico’s, maar het kan ook de vaart tenietdoen die jonge technologiebedrijven nodig hebben.
Van Oranje zette de Europese aanpak af tegen andere innovatieculturen. Nederland, zo zei hij, is vaak sterk in het omzetten van wetenschappelijk inzicht naar een proof of concept. De Verenigde Staten zijn bijzonder goed in het omzetten van dat proof of concept in een door durfkapitaal gefinancierd bedrijf. China richt zich ondertussen op wat daarna komt: productie, standaardisatie, automatisering en het veroveren van de markt. „China denkt van één naar tien en vervolgens naar honderd“, zei hij. „En dat zijn de twee dingen waar wij niet goed in zijn: snelheid en schaalgrootte.“
Dat betekent niet dat Europa China moet kopiëren. Maar het moet wel leren van de onderliggende industriële logica. Overheden kunnen niet alleen optreden als scheidsrechter, die regels vaststelt en subsidies verdeelt. Ze hebben ook een rol bij het scheppen van de voorwaarden waaronder markten kunnen ontstaan: goedkopere energie, betere infrastructuur, overheidsopdrachten, gemakkelijkere toegang tot talent en snellere trajecten van prototype naar productie.
In die zin gaat het bij industriebeleid niet louter om het kiezen van technologieën. Het gaat erom het voor bedrijven gemakkelijker te maken om wereldwijd concurrerend te worden zodra de technologie er is.

Van start-ups tot toonaangevende bedrijven
Lenaerts bracht de discussie weer terug naar de mensen. Voor haar blijft een van de grootste belemmeringen de gefragmenteerde manier waarop Europa omgaat met talent, onderwijs en loopbaantrajecten. Het is nog steeds te ingewikkeld, zo stelde ze, voor studenten en onderzoekers om soepel te kunnen bewegen tussen Nederland, België en Duitsland. Universiteiten, bedrijven en sectoren blijven in silo’s werken, terwijl de meest waardevolle innovatie steeds vaker plaatsvindt tussen disciplines en over de grenzen heen. “We hebben overvloed nodig in zaken die echt nodig zijn: talent, infrastructuur en ook het ecosysteem,” zei ze.
Die overvloed betekent ook dat de manier waarop universiteiten onderzoekers opleiden, moet veranderen. Lenaerts, die eerder in haar carrière de overstap maakte van de academische wereld naar imec, stelde dat promotietrajecten niet automatisch naar een academische toekomst hoeven te leiden. Meer jonge onderzoekers zouden ervaring in het bedrijfsleven moeten opdoen, met ondernemers moeten samenwerken en moeten zien hoe technologieën tot producten worden omgezet.
Het doel zou niet moeten zijn om steeds meer start-ups voort te brengen, zei ze. “We hebben geen behoefte aan meer start-ups. We hebben echt behoefte aan ‘unicorns’.” Dat is geen pleidooi voor hype of hoge waarderingen. Het is een pleidooi voor schaalgrootte: bedrijven die in staat zijn internationaal talent aan te trekken, toeleveringsketens op te bouwen, afnemers te worden voor andere lokale bedrijven en het soort economische zwaartekracht te creëren waardoor een ecosysteem zichzelf kan vernieuwen.
Brainport kan zich geen zelfgenoegzaamheid veroorloven
Van Houten, die twintig jaar geleden hielp bij de oprichting van het Holst Centre, voegde een belangrijk historisch perspectief toe. Brainport bestaat omdat Eindhoven ooit uitmuntend onderzoek combineerde met het ondernemersvermogen om technologieën om te zetten in wereldwijde bedrijven. Philips is niet gegroeid door één ding uit te vinden en het daarbij te laten. Het bedrijf bouwde herhaaldelijk nieuwe industrieën op, van verlichting tot televisie, medische systemen en halfgeleiders. Maar dat model veranderde naarmate de technologie gespecialiseerder werd, toeleveringsketens internationaal werden en bedrijven gedwongen werden zich strakker op hun kernmarkten te richten.
Daarom, zo betoogde Van Houten, kan de regio niet verwachten dat de grote technologiebedrijven van vandaag automatisch zelf elke volgende generatie industrieën creëren. Nieuwe industrieën moeten doelbewust worden opgebouwd, met het oog op toeleveranciers, expertise in het opschalen van bedrijven, productiecapaciteiten en wereldwijde klanten.Brainport, zo waarschuwde hij, moet ook eerlijk zijn over wat er nog ontbreekt. Er is slechts beperkte sterke lokale vraag van eindklanten. Hetzelfde geldt voor directe concurrentie tussen grote technologische spelers. Die ontbrekende elementen zijn van belang omdat concurrentie bedrijven scherper maakt, terwijl veeleisende klanten hen dwingen zich te verbeteren.
Het antwoord ligt wellicht in verder denken dan de stad of zelfs dan Nederland. De corridor Eindhoven-Leuven-Aken-Keulen beschikt over het talent, de industriële basis en de onderzoekskracht om veel meer te worden dan een verzameling aangrenzende ecosystemen. Het zou een echte Europese regio van productie en innovatie kunnen worden. Om dat te realiseren, zo waren de panelleden het eens, moet de mentaliteit veranderen. Brainport mag geen genoegen nemen met het zijn van een succesvol regionaal cluster. Het moet zichzelf meten aan Shenzhen, München, Boston en andere plaatsen waar technologie snel de overstap maakt van technische prestatie naar industriële schaal.
De komende twintig jaar van het Holst Centre zullen daarom niet alleen worden bepaald door de ideeën die het helpt creëren. Ze zullen worden bepaald door wat er gebeurt nadat die ideeën het lab verlaten: of ze uitgroeien tot producten, fabrieken, toeleveringsketens en bedrijven die wereldwijd kunnen concurreren. Zoals Lenaerts het in de laatste minuten van de discussie verwoordde: combineer hardware met software, pas AI toe op echte industriële problemen, zoek klanten in heel Europa en de wereld, „en ga aan de slag”.
